Beschouwing
Voor mij betekent ‘het verdriet van Drenthe’ vooral het verdwijnen van de streektaal: een collectief verlies van mensen die zich met deze grond verbonden voelen. De autochtone Drenten. Maar wie is eigenlijk autochtoon of inheems in een wereld die al eeuwen door migratie wordt gevormd? Wereldwijd sterft er volgens onderzoekers elke veertig dagen een taal uit. Tegen het einde van deze eeuw zullen er zo’n 3500 verdwenen zijn – door kolonisatie, globalisering en klimaatverandering. Wie weet zelfs onze standaardtaal. Het Engels klinkt in de grote steden al minstens zo vaak als het Nederlands. Wim Daniëls zei het tijdens een lezing in de bibliotheek van Emmen kort en bondig: “Dialect verdraagt geen mobiliteit.”
Toch vind ik ‘verdriet’ in dit verband geen passend woord. Verdriet over een verdwijnende taal staat immers in geen verhouding tot het individuele verdriet, zoals over afscheid van een naaste?
Maar, al wil ik deze emotie er niet aan verbinden, streektaalverlies is wel degelijk een verlies. In taal schuilt immers meer dan een verzameling woorden. Met elke taal die verdwijnt, raakt er een stukje geschiedenis, kennis en cultuur kwijt – een deel van ons collectieve geheugen. Het is alsof een USB-stick met unieke gegevens ineens niet meer leesbaar is.
Ik heb voor mijzelf een parallel getrokken met verlies in het algemeen. Hoe handelen wij bij verlies? We nemen afscheid – we leggen ons neer bij de veranderde omstandigheden, maar we proberen de herinnering wél levend te houden. Laten we dus back-ups maken voor straks, voor later. En precies daarin ligt onze uitdaging en taak als streektaalschrijvers. Schrijvers als Jan Veenstra, Marga Kool en Anne Doornbos hebben dat decennia geleden al begrepen. En literatuurhistoricus Henk Nijkeuter is onze betrouwbare externe, harde schijf.
